';
Preloader logo
De Notenbalk

De Notenbalk

Muziek bestaat in principe uit korte en lange tonen. Deze worden noten genoemd.

 

We kennen 5 verschillende noten:

  1. een hele noot
  2. een halve noot
  3. een kwart noot
  4. een achtste noot
  5. een zestiende noot

Alle noten hebben een eigen vaste plek op één van de 5 lijnen van de notenbalk (zie afbeelding) Deze plek geeft de naam van de noot aan. Noten die hoog op de notenbalk geplaatst worden, klinken hoger dan noten die lager geplaatst worden.

Notenbalk

De letters C, D, E, F, G, A en B zijn de namen die voor de noten gebruikt worden. Ze staan ook beter bekend als: C = do, D = re, E = mi, F = fa, G = sol, A = la, B = si,
De zanger of muzikant weet dan welke noot hij moet zingen of spelen. Het verschil tussen de hoge en lage tonen kunnen we zien aan de hand van de sleutel die aan het begin van de notenbalk staat aangegeven. Hoge noten worden meestal achter de vioolsleutel, oftewel de g-sleutel, genoteerd. De krul van de vioolsleutel begint op de tweede lijn van onder en op die lijn staat de noot ‘g’ genoteerd. De g-sleutel wijst dus de ‘g’ aan.

G-sleutel

De ‘g’ bepaalt hier dus daardoor de plaats van de overige tonen. Alle tonen hebben ook hun eigen plek op de notenbalk achter de g-sleutel. De hoogte van een noot op de toonladder geeft dus de toonhoogte aan. Lage tonen worden meestal achter de bassleutel, oftewel de f-sleutel, genoteerd. De krul van de bassleutel begint op de tweede lijn van boven en op die lijn staat de noot ‘f’ genoteerd. De f-sleutel wijst dus de ‘f’ aan.

F-sleutel

De andere noten hebben net als bij de g-sleutel een eigen plek achter de f-sleutel, maar worden wel anders genoemd. Bij beide sleutels staan er noten die zowel op een lijn als tussen de lijnen worden genoteerd. De notenbalk wordt verdeeld in verticale lijnen. Ze worden ook wel maatstrepen genoemd. De maatstrepen verdelen de notenbalk in maten

Maten en maatstrepen

Meestal staan er na de sleutel 2 getallen. Deze worden aangeduid als de maatsoort. Deze maatsoort geeft aan hoeveel tellen er in een maat zijn.

Voorbeeld van een maatsoort

De bovenste 4 uit bovenstaand voorbeeld staat voor 4 tellen in elke maat en de onderste 4 betekent dat (hele noot) 4 tellen krijgt en (een halve noot) de helft, dus 2 tellen. Een kwart noot krijgt dan 1 tel.

Gummie

Hallo, ik ben Gummie! Lekker vrolijk, gezellig, knuffelaar, dat zijn kenmerken waar de andere surfkidders mij mee omschrijven en die jij hopelijk ook bij mij gaat ontdekken!